Samen vooruit in de circulaire economie:
CIRCLES inspireert en ondersteunt u met tools en praktische kennis.

Circulair Organiseren: Value for Many

Eigendom en toegang in de Circulaire Economie
Jan Jonker en Niels Faber

In het debat over de circulaire economie zijn rond het idee van eigendom drie aspecten te onderscheiden: (1) het recht op bezit, (2) toegang als democratisch beginsel en (3) passende instituties. In samenhang met elkaar werken we die aspecten hier wat verder uit om zo zicht te krijgen op hun impact op de ontwikkeling van de ‘commons’. Conclusie is dat deze vooralsnog niet hebben kunnen meebewegen met de ontwikkeling rond de commons.

Naar een economie van toegang
Er gebeurt binnen de nieuwe of ‘onconventionele’ economie veel zonder dat daarbij sprake is van de overdracht van eigendomsrecht. Eigendom komt voort uit afspraken en daaraan gerelateerd gebruik binnen een gemeenschap. Daarmee gelieerde transacties zijn gebaseerd op het idee van bezit. Het onderscheid tussen arm en rijk is impliciet en expliciet verbonden met de idee dat mensen ‘spullen’ bezitten, in het bijzonder het bezit van grond. Want wie grond heeft, is rijk! In het debat over de CE speelt eigendom geen noemenswaardige rol. Eigendom maakt plaats voor toegang tot een bepaalde functie zoals warmte, mobiliteit of licht. Dit leidt tot het inmiddels bekende credo: ‘Bezit maakt plaats voor toegang’. Natuurlijk is dat al heel lang een gegeven, want maar heel weinig mensen bezitten treinen, vliegtuigen of ‘de’ gezondheidszorg. Maar het accent op toegang leidt tot een paar vragen: (a) Wie bezit de spullen (b) Hoe is dan de toegang tot die spullen geregeld? Om een auto-lease systeem op te zetten zijn auto’s nodig, iemand bezit deze (bijvoorbeeld een groep burgers, een leasemaatschappij of een autofabrikant) en iemand organiseert de toegang tot de functie. Dat kan alleen als er afspraken zijn gemaakt tussen de ‘eigenaar’ en de toegang verschaffers. Die toegang verschaffen is niet onproblematisch. Is deze gebaseerd op een fee, een aandeel, een vorm van ‘freemium’, collectieve inkoop of een andere regeling? Wat is een werkend model dat het mogelijk maakt de lasten en lusten van het gemeenschappelijk benutten van een goed in evenwicht te brengen (governance)? Deze vraag is niet zonder problemen te beantwoorden.

Toegang als democratisch recht
Wat nu als iemand wel behoefte heeft aan een bepaalde functionaliteit (mobiliteit, zorg, warmte), maar niet in staat is dat te betalen? Is ‘toegang hebben tot’ dan een ‘grondrecht’? Dat heeft alles te maken met opvattingen over wat democratie is en de ‘commons’. Democratie gaat immers over het met en voor elkaar regelen van gemeenschappelijke behoeftes en het recht op toegang tot een scala aan maatschappelijke, sociale, educatieve en economische functies. Als we op weg gaan naar een economie van toegang die minder gebaseerd is op bezit, vraagt dat op z’n minst om het kritisch tegen het licht houden van de afspraken die we als maatschappij met elkaar gemaakt hebben en die we doorlopend maken. Dat nodigt uit tot een debat over het sociale contract tussen burgers, bedrijven en overheid. Het kost moeite dat debat in het huidige politieke en maatschappelijke landschap te ontdekken.

Institutionalisering
Debatten over eigendom, de ‘commons’ en het recht op toegang zijn niet los te koppelen van de rol van instituties daarbinnen. Instituties zijn regels en afspraken die een bepaalde gemeenschap heeft gemaakt en die richtinggevend zijn voor het collectieve doen en laten. Instituties zijn ‘traag’ in hun transitie en hebben daardoor een dempende werking op sociale fluctuatie en excessen daarbinnen, wat resulteert in het bijdragen aan stabiliteit. Daardoor kan een samenleving ook met een zekere rust samenleven. Wie de regie heeft op dat proces is lang niet altijd helder. Het nadeel is dat als er bewust of onbewust een bepaalde richting ingeslagen wordt, het lastig is om bij te sturen. De geschiedenis zit vol met positieve en negatieve voorbeelden in dat opzicht. Kunnen we in het licht van deze observaties nog toe met oude ‘afspraken’ of moet er sprake zijn van een herpositionering van deze instituties?

Faciliterende kaders
Als de toekomst in het teken staat van het ontwerpen en realiseren van een circulaire economie, dan moeten instituties ook actief faciliterend zijn in die beweging. De afgelopen decennia is nadrukkelijk gekozen voor een lineair input-througput-output model, gebaseerd op industrieel en functioneel denken, wat zijn vertaling heeft gevonden in een vaak complementaire diensten- economie. De stelling is verdedigbaar dat de ontwikkeling van de ‘commons’ hier niet heeft kunnen meebewegen met maatschappelijke ontwikkelingen. De ‘commons’ zijn verdrongen geraakt door het heersende economische transactie model. De emergente ontwikkelingen als de ‘sharing’ en ‘collaborative’ economie geven heel voorzichtig en vaak nog amateuristisch mede vorm aan nieuwe vormen van institutionalisering. Of dit voldoende is en op tijd? De komende tijd zal het leren.

Jan Jonker is hoogleraar Duurzaam Ondernemen aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Zijn werk concentreert zich op drie samenhangende thema’s: de nieuwe economie oftewel de WEconomy, het ontwikkelen van nieuwe business modellen en het anders denken over geld oftewel ‘hybride bankieren’. Zijn meest recente bestseller is het boek ‘Nieuwe Business Modellen; Samen Werken aan Waardecreatie’ ( 2014). Momenteel werkt hij aan een landelijk onderzoek over Business Modellen voor de Circulaire Economie.

Niels Faber is onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen en docent aan de Hanzehogeschool Groningen. Sinds 2002 doet hij onderzoek op het gebied van sociale duurzaamheid, met een focus op kennismanagement, organisatievormen, besluitvorming en duurzaamheid. Hij is auteur van meer dan 50 publicaties, inclusief boeken, boekhoofdstukken en artikelen en conferentie bijdragen. Zijn onderzoeksfocus ligt op emergente vormen van organiseren rond duurzaamheid en duurzame besluitvorming.

Dit artikel verscheen eerder op Duurzaamnieuws.nl