Inkoop van gebruik: Het bezit van de zaak is het einde van het vermaak?
  • 21 mei 2017

Walter van der Es en Jan Jonker

Circulair inkopen wordt als aanjager genoemd voor de transitie naar een circulaire economie. Om die rol te vervullen is inkoop zelf aan een transitie toe. De circulaire inkoper zal zich moeten richten op het betalen voor ‘gebruik’. Maar de vraag is of en hoe dat concept daadwerkelijk leveranciers zal stimuleren tot circulaire innovaties in hun businessmodellen.

Inkoop van gebruik in theorie

Over de technische mogelijkheden om de levensduur van gebruiksgoederen en daarmee grondstoffen-efficiëntie te verhogen is al het nodige gepubliceerd. Onderbouwing voor het concept ‘inkopen van gebruik’ is te vinden in de zogenaamde Sustainable Product Service Systemen (SPSS). Een SPSS wordt gedefinieerd als een geïntegreerd aanbod van tastbare producten en niet-tastbare diensten bedoeld om voor de eindgebruiker op een duurzame manier een functionaliteit aan te bieden.

De gebruiker betaalt de leverancier voor de prestatie via een ‘pay-per-use’ of een ‘performance based’ prestatiecontract. Dat kan bijvoorbeeld middels een bedrag per tijdseenheid, voor daadwerkelijk gebruik of voor een vastgelegde prestatie. De leverancier is en blijft eigenaar van alle hulpmiddelen, die nodig zijn voor de gewenste performance. Deze insteek stimuleert de leverancier om gedurende (en na afloop) van de prestatieperiode de gebruikswaarde van de gebruikte producten, onderdelen en materialen zo hoog mogelijk te houden. Dat kan door deze met het oog op circulair gebruik te ontwerpen. Voor een optimaal effect zullen inkoper en aanbieder wel eerst een gemeenschappelijk beeld van ‘de circulaire economie’ moeten ontwikkelen.

Dit concept loopt van een light-versie naar een full-fledged versie. In de light-versie gaat het om ‘reguliere’ lease concepten, waarin onderhoudsservice is opgenomen. Eventuele circulaire voordelen vormen een mooie bijvangst. In de full-fledged versie betaalt de klant alleen voor de performance en niet voor het bezit van goederen of diensten. Het inkoopproces draait bij deze versie zuiver om ‘functionaliteit’, de bijbehorende kpi’s en de borging van circulariteit, onder zo gunstig mogelijke voorwaarden.

Om risico’s tijdens de gebruiksperiode te voorkomen wil de aanbieder inzicht in de wijze van gebruik om onderhoud zo slim mogelijk te regelen. Niet alleen om investerings- en (post)gebruikskosten voor de te leveren performance te reduceren, maar ook om verspilling te verminderen.

Zo kan ook de gebruiksintensiteit bijvoorbeeld worden verhoogd door producten te delen of te poolen met zo veel mogelijk gebruikers. Om dat mogelijk te maken zullen meer of minder radicale (proces en of product) innovaties nodig zijn, die mogelijk in co-creatie al gedurende de gebruiksperiode kunnen worden ingezet.

Inkoop van gebruik in de praktijk

Er loopt in Nederland een beperkt aantal pilots circulair inkopen. Naast een pay-for-lux toepassing zijn in de B2B praktijk voornamelijk varianten op ‘inkoop van gebruik’ uitgeprobeerd. Een voorlopige evaluatie laat zien dat aanbieders nog geen passend antwoord kunnen geven op de circulaire ‘gebruiksvraag’, zeker niet voor elke vraag uit de markt.

Maar ook voor het inkoopproces zelf staan nog cruciale aandachtspunten open. Wat is een passende methode voor de uitvraag en hoe een propositie terzake te beoordelen en selecteren, of te komen tot financiering? Of de vraag hoe de regie tijdens en na de contractperiode georganiseerd moet worden (en door wie en onder welke contractvormen)? En niet te vergeten de bedrijfsinterne afstemming. Visie, ambitie en circulaire terminologie moeten door de betrokken partijen gedeeld worden. Samenwerking tussen inkoper en aanbieder is de sleutel en tegelijk de uitdaging.

Leidt inkoop van gebruik tot circulaire innovaties?

De co-creatie tussen aanbieder en inkoper biedt in de full-fledged versie van ‘inkoop van gebruik’ zonder twijfel positieve circulaire perspectieven, zo stelt Arnold Tukker, de hoogleraar achter PSS op basis van een survey van publicaties van de afgelopen 15 jaar. Maar het vereist voor de ondernemer ook de meest radicale organisatorische, financiële en technische veranderingen in het businessmodel, hoge investeringen en kostbare coördinatie kosten, zowel intern als met de partners in de waardeketen.

Uit de Nederlandse pilots komt naar voren dat een inkoper wel prioriteit aan performance wil geven, maar het niet altijd noodzakelijk vindt om de aanbieder de rol van eigenaar te ‘gunnen’. En zeker als dat gedaan wordt om risico’s te vermijden, wordt de kans erg klein dat de aanbieder wordt verleid tot innovatie in het verdienmodel.

De vraag is sowieso in hoeverre de huidige pilots inzicht geven in de mate waarin investeringen in innovaties renderen. Recent onderzoek naar op performance gebaseerd contracteren bevestigt dat innovaties afhankelijk zijn van de vrijheidsgraden die de inkopende organisatie de leverancier biedt. Tegelijk dient de autonomie van de leverancier in balans te zijn met een helder prestatieafhankelijk beloningssysteem, om mogelijk opportunistisch gedrag van de aanbieder te voorkomen. Uitdaging is het voorkomen van prijsopdrijvende effecten door de innovatiekosten die de aanbieder maakt.

Meer onderzoek nodig

Hoe ‘inkoop van gebruik’ leidt tot innovatie in business- en verdienmodellen van aanbieders verdient veel meer onderzoek. De huidige pilots laten nog veel te veel vragen open. Voor welke marktvraag is een SPPS-businessmodel een optie, voor welke prestaties wil de inkopende organisatie afstand doen van ‘bezit’, hoe kan inkoop regie krijgen over de periode ná het contract? Hoe liggen de verantwoordelijkheden voor de leverancier-eigenaar (bijv. hoe om te gaan met vandalisme), welke voorwaarden levert dat op tijdens het gebruik voor de inkopende organisatie en hoeveel extra coördinatie tussen alle betrokkenen levert het op? Het financieringsmodel brengt wellicht bijbehorende langdurige contracten met zich mee. Hoe moet de inkoper omgaan met eventuele lock-in effecten en hoge overstapkosten bij afloop van de contracten?

Een uitgebreidere literatuurstudie gecombineerd met een gedegen analyse van de huidige ‘inkoop van gebruik’ pilots kunnen meer inzicht geven in hoe inkoop de faalfactoren zou kunnen wegnemen en de kansen op performance inkoop kan verhogen. Zijn er business-, organisatie- en verdienmodellen te ontwikkelen om per ‘performance’, per marktsituatie en afhankelijk van de financiële consequenties veel scherper passende keuzes te maken? Want het gebruik van de zaak, blijkt allerminst het einde van het vermaak.

Walter van der Es is docent Inkoopmanagement, opleiding Facility Management aan de Haagse Hogeschool.

Jan Jonker is hoogleraar Duurzaam Ondernemen aan de Radboud Universiteit (Nijmegen School of Management) te Nijmegen.

Dit artikel verscheen eerder op Duurzaamnieuws.